Luister hier naar onderstaand verhaal (via SoundCloud). Let op: kies voor de optie ‘luisteren in browser’.
Kinderziekten
Te zien in Museum Vrolik: Hier ziet u een reeks skeletten van kinderen van verschillende leeftijden, afkomstig uit Parijs. Deze zijn door Willem Vrolik aangekocht bij de Franse preparateur Vasseur in 1856 ten behoeve van het onderwijs in de anatomie. Mogelijk zijn de skeletten afkomstig van weeshuizen. De kinderen zijn waarschijnlijk door ondervoeding en ziekten overleden, maar de precieze doodsoorzaak is niet bekend.
Niet alleen zuigelingen, maar ook jonge kinderen tussen één en vier jaar oud liepen grote sterfterisico’s. Voor een groot deel van de negentiende eeuw schommelde de kindersterfte sterk van jaar tot jaar, vooral door de uitbraken van besmettelijke ziekten in de stad. In deze ongunstige jaren overleden soms wel 70 van de 1000 kinderen in deze leeftijdsgroep. Net als bij de zuigelingen verbeterde de situatie na 1880 aanzienlijk: de kindersterfte daalde snel. In de jaren 1920 daalde het sterftecijfer tot tien per 1000. We zullen hier meer vertellen over een aantal van deze belangrijke infectieziekten voor kindersterfte: mazelen, roodvonk en pokken.
Mazelen
Mazelen (morbilli) is een zeer besmettelijke infectieziekte die wordt veroorzaakt door het mazelenvirus. De ziekte begint met koorts, hoofdpijn, hoesten, een loopneus en tranende ogen. Na enkele dagen verschijnt een huiduitslag. Rode vlekjes verschijnen in het gezicht en de nek en verspreiden zich vervolgens over het hele lichaam.
Lange tijd werden mazelen gezien als een milde kinderziekte, vooral vanwege het relatief lage sterftecijfer. Toch was die reputatie misleidend. Voor de komst van vaccinaties overleden begin twintigste eeuw in sommige landen zo’n 1 op de 100 besmette personen. Door het grote aantal infecties leidde dit tot hoge sterftecijfers in absolute aantallen. Nieuw onderzoek toont bovendien aan dat mazelen het immuunsysteem langdurig verzwakt – soms jarenlang – waardoor mensen vatbaarder bleven voor andere ziekten. Vaak waren het juist deze complicaties die tot de dood leidden. Uit de Amsterdamse Doodsoorzakenregisters blijkt dat bij twee van de drie mazelensterfgevallen complicaties een rol speelden – vaak longontsteking of bronchitis. Mazelen was dan ook allesbehalve onschuldig: een echte sluipmoordenaar in de negentiende eeuw!
Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw waren artsen goed in staat om mazelen te herkennen. Toch werd in de officiële doodsoorzakenregistratie niet altijd ‘mazelen’ vermeld. In veel gevallen noteerde men alleen de complicaties, zoals longontsteking of bronchitis. Hierdoor is het aantal dodelijke mazelengevallen waarschijnlijk onderschat.
Toch laten de cijfers een ernstig beeld zien: tussen 1856 en 1940 overleden in Amsterdam meer dan 10.000 mensen aan mazelen. Vooral de leeftijd was een belangrijke risicofactor: de hoogste sterftekans werd aangetroffen bij zuigelingen en kinderen. Jonge zuigelingen waren nog redelijk beschermd tegen de ziekte, vanwege de immuniteit (antistoffen) die zij van de moeder meekregen. Vanaf een half jaar oud begonnen de mazelen echt een risico te vormen. In onderstaande figuur kunnen we zien dat vooral kinderen van één jaar oud overleden aan de mazelen, maar ook peuters en kleuters hadden een hoog sterfterisico. De mazelen waren dan ook een typische kinderziekte. Pas daarna nam het risico op mazelensterfte af, waarschijnlijk omdat kinderen dan immuniteit hadden opgebouwd.
Roodvonk
Roodvonk (scarlatina) is een besmettelijke infectieziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie: de streptokok. De ziekte begint vaak met keelpijn, koorts en hoofdpijn. Kort daarna verschijnen de kenmerkende rode vlekjes op de huid. Dit maakt roodvonk tot ‘de tweede ziekte’ in het rijtje “vlekjesziekten”, die allemaal een vergelijkbare huiduitslag geven, zoals mazelen, rodehond en waterpokken. Roodvonk komt het meest voor bij (jonge) kinderen. De cijfers van de Amsterdamse Doodsoorzakenregisters bevestigen dit. Van de 2843 overledenen aan roodvonk, is 83,5% jonger dan tien jaar.
In de bovenstaande grafiek zien we de absolute aantallen sterfgevallen aan roodvonk in Amsterdam in de periode van 1856-1940. Hierin valt op dat roodvonk slechts af en toe opdook, maar dan hevige sterftepieken kon veroorzaken: een epidemie. Dit zien we vooral in 1867 en 1884, toen de roodvonkepidemieën enorm veel levens eisten. Daarnaast zien we dat deze epidemiën aan het einde van de negentiende eeuw verdwenen, en de roodvonksterfte steeds verder afnam. Hoe dat komt? Uit recent onderzoek blijkt dat de bacterie minder virulent werd. Onderzoekers denken dat roodvonk in de vroege negentiende eeuw juist een uitzonderlijk agressieve vorm aannam, maar daarna in kracht afnam. Een bacterie die haar gastheer te snel doodt, kan zich immers minder goed verspreiden, daarom werd de bacterie mettertijd zwakker. Opvallend is vooral dat de grote daling van roodvonksterfte al begon vóór de komst van effectieve behandelingen. Pas in de jaren 1920 verschenen namelijk antitoxine en later penicilline. Daarmee werd roodvonk eindelijk goed behandelbaar.
Pokken
Pokken is een zeer besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het variolavirus en via de lucht of direct contact wordt verspreidt. De ziekte kenmerkt zich door een hevige beginfase met spier- en gewrichtspijn, koorts en misselijkheid, gevolgd door een etterende huiduitslag die zich over het hele lichaam verspreidt. Er bestaan twee varianten van het virus: Variola minor en Variola major, waarbij de laatste vorm het meest ernstig is en de meeste slachtoffers maakte. Vooral in de negentiende eeuw veroorzaakten pokken – in epidemische golven – veel sterfgevallen, met name onder kinderen. Wie de ziekte overleefde, bleef levenslang immuun, maar hield vaak blijvende littekens over.
De pokkenvaccinatie was het eerste vaccin dat met succes werd ontwikkeld en op grote schaal in Europa werd toegepast. De doorbraak kwam in 1796, toen de Britse arts Edward Jenner ontdekte dat melkmeisjes die met het ongevaarlijke koepokkenvirus in aanraking waren gekomen, niet besmet raakten met de dodelijke mensenpokken. Jenner concludeerde dat vaccinatie met het koepokkenvirus mensen levenslang kon beschermen tegen de gevaarlijke variant. Zijn methode verspreidde zich snel over Europa. In Nederland werd de pokkenvaccinatie al in 1799 ingevoerd. In de vroege negentiende eeuw werd vaccinatie verplicht voor schoolgaande kinderen en onderwijzers, wat leidde tot een geleidelijke daling van de sterfte en minder frequente uitbraken. Toch kende Nederland in de jaren 1870–1873 nog een hevige epidemie, waarbij meer dan 23.000 mensen omkwamen. Als reactie hierop werd vaccinatie in 1872 wettelijk verplicht via de Wet op de Besmettelijke Ziekten.
Tijdens deze pokkenepidemie stierf in Amsterdam ongeveer één op de 125 mensen aan deze besmettelijke ziekte. De impact van de uitbraak verschilde echter sterk per wijk en bevolkingsgroep. Over het algemeen gold: hoe armer de buurt, hoe hoger de pokkensterfte. Dat zien we ook in onderstaande kaart: vooral de arme wijken in de Jordaan (in het noordwesten van de stad) werden zwaar getroffen. Dit had te maken met een lagere vaccinatiegraad en hoge bevolkingsdichtheid in deze buurten. Zo werd de laatste grote pokkenepidemie niet alleen een gezondheidscrisis, maar ook een reflectie van de sociale en geografische ongelijkheid in de stad.
Vragen of opmerkingen? Laat het ons weten via nadeche.diepgrond@ru.nl
