Amsterdams Archief // Prins Hendikkade Zonsondergang Montelbaanstoren 1910-1916, Eilers, Bernard F. (1878-1951)
De ziekten waaraan mensen lijden, en uiteindelijk sterven, weerspiegelen de omstandigheden waarin zij leefden. Dat geldt niet alleen voor de oorzaken van overlijden, maar ook voor het moment in het jaar waarop mensen stierven. Sterfte is zelden gelijkmatig over de kalender verdeeld. Ze volgt een ritme, gevormd door omgevingsfactoren, economische schaarste, culturele gewoonten en biologische kwetsbaarheid. Door te kijken naar de seizoensgebondenheid van sterfte krijgen we meer inzicht in de wijze waarop de levens van mensen werden beïnvloed door extreme temperaturen, epidemieën en veranderende sociale en religieuze praktijken. In deze blog staat deze invloed van het seizoen op sterfte centraal in Amsterdam tijdens de sterftedaling van de negentiende- en begin-twintigste eeuw. Veranderde het ritme van sterfte in de loop van de tijd? Waren er vaste pieken in bepaalde maanden? En wat zeggen die over de belangrijkste doodsoorzaken in het verleden?
Eerder onderzoek heeft laten zien dat in gematigde klimaten, zoals in Europa, de sterfte doorgaans piekt in de winter. Dit verschijnsel staat bekend als ‘excess winter mortality’: een winteroverschot aan sterfte. Hier bestaan verschillende verklaringen voor. Veel virussen, waaronder influenza, bereiken hun hoogtepunt in de koudere maanden. Daarnaast heeft kou directe fysiologische effecten: het verhoogt de bloeddruk, vergroot de kans op bloedstolsels en heeft een negatieve invloed op het hart en de longen. Opmerkelijk genoeg zijn wintersterftecijfers in Noord- en Zuid-Europa relatief vergelijkbaar, ondanks grote temperatuurverschillen. Dat wijst erop dat mensen zich aanpassen aan hun klimaat, waardoor de relatieve impact van kou overal ongeveer even groot blijft. Meer recente studies suggereren bovendien dat niet alleen temperatuur, maar ook minder zonlicht, en dus lagere vitamine D-productie, een rol kan spelen. Gedragsfactoren, zoals minder beweging, andere voeding, meer binnenblijven en veranderende luchtkwaliteit, dragen waarschijnlijk ook hieraan bij, al worden die zelden systematisch onderzocht.
Hoewel historici veel onderzoek hebben gedaan naar sterfte in het verleden, is er relatief weinig aandacht besteed aan deze seizoenspatronen. Toch kunnen juist verschuivingen in de sterfte herin veel zeggen over maatschappelijke veranderingen. In sommige regio’s nam het winteroverschot in de twintigste eeuw af, mede dankzij betere verwarming en woonomstandigheden. Elders verschoof de piek in kindersterfte van de winter naar de zomer, bijvoorbeeld door veranderingen in het wel of niet geven van borstvoeding en de verbetering van de waterkwaliteit. Tegen die achtergrond is Amsterdam een interessante casus. In de negentiende eeuw kende de stad sterke schommelingen in sterfte van jaar tot jaar. Zowel epidemieën als endemische ziekten drukten zwaar op de bevolking. Pas vanaf de jaren 1880 zette een duidelijke en versnellende daling van de totale sterfte in. Maar betekende dit ook dat het seizoensritme veranderde?
In Figuur 1 is te zien hoe de sterfte tussen 1812 en 1931 over de maanden van het jaar was verdeeld, uitgedrukt in percentages per jaar. De figuur gebruikt een kleurverloop: vroege jaren zijn weergegeven in donkerblauw, latere jaren in geel. Wat opvalt, is dat de lijnen in de vroege periode sterker uiteenlopen, terwijl ze in latere jaren dichter bij elkaar liggen. Met andere woorden: de maandelijkse verdeling van sterfte werd in de loop van de tijd stabieler. Toch blijft er een herkenbaar patroon zichtbaar. In de meeste jaren ligt het aandeel overlijdens in de winter hoger dan in de zomer. De winter blijft dus structureel een risicoseizoen, wat suggereert dat winterse omstandigheden, en waarschijnlijk vooral luchtweginfecties, een hardnekkige rol speelden.
Dat beeld wordt bevestigd in Figuur 2, waarin de zogenoemde ‘excess winter mortality index’ wordt weergegeven. Deze index meet hoeveel hoger de sterfte in de winter ligt ten opzichte van andere seizoenen. De gestippelde, afgevlakte trendlijn laat zien dat het winteroverschot vooral sterk was aan het begin én aan het einde van de periode 1812-1931, met iets lagere waarden in de tussenliggende decennia. Dat betekent dat de invloed van het seizoen op sterfte niet lineair afnam, maar eerder schommelde over de lange termijn.
Toch was het beeld in de negentiende eeuw minder uniform dan misschien verwacht zou kunnen worden. In Figuur 2 is namelijk ook te zien dat in verschillende jaren vóór de jaren 1880 juist een sterftepiek in de zomer optrad. Een belangrijke verklaring daarvoor zijn de cholera-epidemieën, zoals die van 1833 en 1849. Cholera verspreidde zich via besmet drinkwater en trof vooral dichtbevolkte stedelijke gebieden met gebrekkige sanitaire voorzieningen. In warme maanden kon de bacterie zich sneller verspreiden, waardoor het gebruikelijke winterpatroon tijdelijk werd onderbroken. Ook schommelingen in kindersterfte speelden waarschijnlijk een rol. Bepaalde kinderziekten, zoals mazelen en kinkhoest, volgden meerjarige uitbraakcycli en konden in specifieke jaren extra slachtoffers maken, wat de sterfte per seizoen veranderde.
Om die patronen nog nauwkeuriger te onderzoeken, toont Figuur 3 een zogeheten wavelet power spectrum-analyse. Op de horizontale as staan alle maanden van de onderzochte periode (januari 1812 tot december 1931), op de verticale as de maanden. De kleuren geven de sterkte (‘power’) van de cycli weer. Gebieden met significante waarden zijn gemarkeerd met witte contouren, en zwarte lijnen wijzen de perioden aan met de hoogste kracht. Wat direct opvalt, is dat de sterkste golf (de rode zones) zich gedurende vrijwel de hele periode rond een lengte van twaalf maanden bevindt. Dat wijst op een dominante jaarlijkse cyclus in de sterfte. Hoewel deze analyse niet zelf aangeeft in welk seizoen de piek precies ligt, weten we uit de eerdere figuren dat dit vooral een winterpiek betreft.
Tegelijkertijd laat het spectrum zien dat dit jaarlijkse ritme soms wordt onderbroken. In bepaalde perioden verzwakt de twaalfmaandencyclus en verschijnen kortere cycli van ongeveer zes maanden. Dat duidt erop dat er in sommige jaren naast een winterpiek ook een zomerse piek optrad. Precies wat we verwachten tijdens grote epidemieën. Daarnaast zijn er langere cycli zichtbaar, tot ongeveer 32 maanden. Die meerjarige patronen wijzen waarschijnlijk op ziekten die niet strikt jaarlijks terugkeerden, maar in uitbraken met tussenpozen van enkele jaren, vaak onder specifieke leeftijdsgroepen. Na 1900 verdwijnen de zomerse sterftepieken vrijwel geheel, terwijl de winterpiek blijft bestaan. Zelfs in een periode van verbeterde waterkwaliteit, riolering en medische vooruitgang blijft het winteroverschot zichtbaar. Een belangrijke uitzondering vormt de influenza-pandemie van 1918-1920, die het gebruikelijke ritme tijdelijk ontregelde en voor uitzonderlijke sterfte zorgde buiten het normale patroon.
Wie over een langere periode kijkt, ziet dus een stad die leefde, en stierf, volgens een herkenbaar ritme van winterpieken, onderbroken door epidemische schokken en meerjarige ziektegolven. Dit laat zien hoe nauw klimaat, ziekte en samenleving met elkaar verweven waren. En misschien verklaart dat ook waarom we vandaag de dag nog steeds spreken van een ‘griepseizoen’ zoals de afgelopen maand: sommige ritmes verdwijnen niet zomaar, zelfs niet na een eeuw van vooruitgang.
