Weegkamer verloskunde // Stadsarchief Amsterdam
De negentiende eeuw bracht ingrijpende veranderingen in de verloskunde en het ziekenhuis. Wat betekende dat voor de vrouwen die werden behandeld? In haar researchmasterscriptie onderzocht Jasmijn hoe deze nieuwe medische praktijk vorm kreeg en wat dit betekende voor vrouwen als patiënten en de omgang met hun lichamen.
Rond 1850 begon de verloskunde als vak een hoger aanzien te krijgen in medische kringen en werd er steeds meer onderzoek naar gedaan. Dit had invloed op zowel vroedvrouwen als vrouwelijke patiënten. De traditionele rol van de vroedvrouw als begeleider van bevallingen veranderde. Aan het begin van de 20e eeuw was haar rol gereduceerd tot een zorgverlener die enkel natuurlijke bevallingen mocht begeleiden, terwijl mannelijke verloskundigen steeds meer autoriteit kregen. De toenemende interesse in verloskunde als academisch vak ging daarnaast gepaard met het ontstaan van kraamklinieken in academische ziekenhuizen, waar vrouwelijke patiënten onderzocht en behandeld werden door de hoogleraar verloskunde en zijn mannelijke studenten.
De kraamkliniek in deze ziekenhuizen gaven geneeskunde-studenten de kans om regelmatig praktische ervaring op te doen bij de bevallingen van patiënten. Toen de academische verloskunde rond 1850 in een stroomversnelling kwam, werd praktische ervaring namelijk nog belangrijker geacht voor studenten dan daarvoor. Hoewel 19e-eeuwse ziekenhuizen bezocht werden door mensen uit alle lagen van de samenleving, blijkt uit de correspondentie en jaarverslagen van de academische ziekenhuizen dat de kraamklinieken zich vooral op vrouwen van lagere sociaaleconomische klassen richtten.
Dit had deels te maken met de lage status die ziekenhuizen toen in de samenleving hadden. Gasthuizen, de voorlopers van de moderne Nederlandse ziekenhuizen, waren onderdeel van de armenzorg. Dit imago had het ziekenhuis nog steeds in de tweede helft van de 19e eeuw. Ziekenhuizen werden gezien als plekken waar arme mensen naartoe gingen en waar veel sterfgevallen waren door de slechte hygiëne en infectieziekten. Ook werden vrouwen wellicht afgeschrikt door het aantal studenten dat in de academische ziekenhuizen bij een bevalling in de kraamkliniek aanwezig was. Als gevolg hiervan was de kraamkliniek in het ziekenhuis voornamelijk een toevluchtsoord voor jonge, arme en veelal ongetrouwde vrouwen. In ruil voor gratis onderdak, voedsel en medische zorg, stelden zij hun lichamen beschikbaar voor het onderwijs van studenten.
De lichamen van zwangere vrouwen dienden daar als studieobject voor studenten, ze werden als het ware gedepersonaliseerd. Er lijkt dan ook weinig dialoog te zijn geweest tussen patiënt en dokter. Zo schrijft de hoogleraar verloskunde W.M.H. Sänger in het jaarverslag van de Groningse kraamkliniek in 1868 de ‘barenden als levende phantomen te beschouwen’. Fantomen waren papier-maché replica’s van lichamen, waar studenten mee konden oefenen. De jaarverslagen van de kraamkliniek in Leiden geven een soortgelijk beeld: vrouwen lijken zelf weinig te zeggen te hebben gehad over de behandelingen die ze in de kraamkliniek ondergingen.
Zelfs de lichamen van vrouwen die in de academische ziekenhuizen waren overleden werden als studieobject gebruikt, zonder dat deze vrouwen daar zelf toestemming voor lijken te hebben gegeven. Vrouwelijke bekkens werden in de 19e eeuw gebruikt voor verloskundig onderzoek en onderwijs. Een te vernauwd, misvormd of broos bekken kon namelijk tot complicaties tijdens de bevalling leiden. Om dit aan studenten te laten zien, werd gebruik gemaakt van bekkens in anatomische collecties. De vier Nederlandse universiteiten in de 19e eeuw – Leiden, Utrecht, Amsterdam en Groningen – hadden allemaal zulke collecties.
Van de collectie in Groningen is bekend dat meerdere bekkens afkomstig zijn van vrouwen die in de kraamkliniek zijn overleden gedurende de 19e eeuw. In de ziekenhuis-archieven in Leiden en Utrecht zijn er eveneens aanwijzingen te vinden dat ook daar bekkens van vrouwen die gestorven zijn in de kraamkliniek in de universitaire anatomische collecties zijn beland. Zo bevatten de archieven van het ziekenhuis in Leiden rekeningen voor het prepareren van vrouwelijke bekkens, vermoedelijk van patiënten uit het ziekenhuis. In de patiëntregisters in Utrecht staat bovendien een opmerking dat het bekken van een specifieke patiënt na haar overlijden in de collectie is opgenomen. De catalogi van de collecties, de patiëntregisters en kwitanties, geven echter geen duidelijk beeld of deze vrouwen of de nabestaanden toestemming hebben gegeven voor hun ontleding, maar het lijkt erop dat dit niet het geval is geweest. Vermoedelijk was dit ook de gangbare praktijk in Amsterdam.
Dankzij de ontwikkelingen op het gebied van verloskunde in de 19e eeuw sterven er tegenwoordig veel minder vrouwen in het kraambed of aan kraamvrouwenkoorts. Deze vooruitgang is echter mede mogelijk gemaakt door de vrouwen die in de kraamkliniek van academische ziekenhuizen lagen. Opvallend veel ongehuwde, jonge vrouwen uit de lagere klassen bezochten de kliniek, om financiële redenen en sociale stigma’s over ongehuwd zwangere vrouwen lijken zij weinig andere opties te hebben gehad dan hun lichaam beschikbaar te stellen voor het onderwijs. Maar hoeveel inspraak hadden zij eigenlijk in hun behandeling? Gaven zij toestemming om na hun overlijden ontleed te worden en werden hun familieleden hierover ingelicht? Hoewel deze vragen niet altijd te beantwoorden zijn, is duidelijk dat deze vrouwen een belangrijk onderdeel vormen van de medische geschiedenis van Nederland.
