Mazelen en roodvonk, uit het boek The Practical Guid to Health van Frederick M. Rossiter, 1913 // Wellcome Collection
Voor mijn masterscriptie heb ik de sterfte aan drie epidemische kinderziekten in Amsterdam en Antwerpen in de periode 1856-1929 vergeleken. Hiervoor maakte ik gebruik van de doodsoorzakenregisters van beide steden (Antwerpen heeft net als Amsterdam een citizen science project, genaamd SOS Antwerpen). Het ging om de ziekten mazelen, kinkhoest en roodvonk, alle drie belangrijke doodsoorzaken van kinderen in de negentiende en begin twintigste eeuw. Mazelen en kinkhoest doodden vooral kinderen onder de vijf jaar, terwijl roodvonk ook slachtoffers maakte onder oudere kinderen en (jong)volwassenen. Alle drie de ziekten worden overgedragen via de lucht, door hoesten, niezen, praten, zingen, etc.
Amsterdam en Antwerpen ondergingen in deze periode allebei ingrijpende economische en industriële veranderingen die gepaard gingen met een enorme bevolkingsgroei. De snelle toename van het aantal inwoners in de oude stadskernen ging niet samen met een toename van het aantal woningen, en dat leidde in beide steden tot verpaupering en het ontstaan van zeer dichtbevolkte stadsdelen. Daar leefden de lagere klassen in bittere armoede en infectieziekten tierden er welig. Ik had verwacht dat de sterftecijfers aan mazelen, kinkhoest en roodvonk vergelijkbaar zouden zijn in beide steden. Dit bleek echter niet het geval te zijn.
Mazelen
Mazelen is een van de meest besmettelijke ziekten die we kennen, vandaar dat in grote steden in de negentiende eeuw vrijwel iedereen er voor zijn vijfde jaar mee in aanraking kwam. Het doormaken van de ziekte leidt tot levenslange immuniteit. Je krijgt dus maar één keer in je leven mazelen. Dit betekent ook dat een mazelenepidemie op een gegeven moment ‘uitdooft’, omdat er geen kinderen meer zijn die nog vatbaar zijn voor de ziekte. Na een paar jaar, als er weer genoeg vatbare kinderen geboren zijn, ontstaat dan een nieuwe epidemie. Mazelen kan alleen voortdurend aanwezig blijven in een gemeenschap als die ongeveer 250.000 inwoners of meer telt. De ziekte wordt dan endemisch in plaats van epidemisch. Daardoor ligt de basale sterfte iets hoger, maar de sterftepieken zijn veel lager.
Figuur 1 laat zien dat de sterfte aan mazelen onder kinderen tot 5 jaar in Antwerpen gedurende de hele studieperiode veel hoger was dan in Amsterdam. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Amsterdam een aanmerkelijk grotere stad was: al rond 1860 had Amsterdam 250,000 inwoners, terwijl dit in Antwerpen pas rond 1895 het geval was. In Amsterdam vertoonde mazelen dus al in de tweede helft van de negentiende eeuw een endemisch patroon, terwijl de ziekte in Antwerpen toen nog een epidemisch karakter had, zoals te zien is aan de ‘pieken’ (en dalen) in figuur 1.
Kinkhoest
Voor kinkhoest is de situatie omgekeerd: tot ongeveer 1920 waren de sterftecijfers voor deze ziekte in Amsterdam veel hoger dan in Antwerpen. Waarom dit zo was is nog niet helemaal duidelijk. Kinkhoest is een ziekte waaraan met name hele jonge kinderen en zuigelingen sterven. Als de registratie van de zuigelingensterfte in Antwerpen minder nauwkeurig was, zou dit een rol gespeeld kunnen hebben, maar dit zal het verschil waarschijnlijk niet volledig verklaren. Mogelijk nam kinkhoest in Amsterdam de plaats van mazelen in, toen deze ziekte een endemisch karakter kreeg.
Roodvonk
Roodvonk (eerder beschreven in dit blog) werd tot het begin van de negentiende eeuw beschouwd als een milde kinderziekte. Rond 1820 verscheen in Europa echter een agressievere vorm van de ziekte en tot in de jaren 1880 was dit een van de belangrijkste infectieuze doodsoorzaken onder kinderen. Uitbraken van roodvonk traden minder frequent op dan van mazelen en kinkhoest, maar maakten ook meer slachtoffers.
Bij het vergelijken van de sterftecijfers aan roodvonk voor Amsterdam en Antwerpen valt vooral op dat de laatste roodvonkepidemie in Antwerpen plaatsvond in de jaren 1897-1899, zo’n 15 jaar later dan de laatste uitbraak in Amsterdam. Antwerpen is daarmee een uitzondering in West-Europa, waar na de jaren ’80 van de negentiende eeuw vrijwel geen uitbraken met veel dodelijke slachtoffers meer voorkwamen. In Oost-Europa daarentegen duurden deze uitbraken voort tot in de jaren ’30 van de twintigste eeuw. De late uitbraak in Antwerpen kan daarom mogelijk verklaard worden door de grote aanwezigheid van migranten uit Oost-Europese landen. Tussen 1872 en 1935 kwamen meer dan een miljoen emigranten uit heel Europa naar Antwerpen om met een van de schepen van de Red Star Line vervolgens naar de Verenigde Staten en Canada te vertrekken.
Verder onderzoek naar de oorzaak van de late roodvonkepidemie in Antwerpen zou kunnen kijken of in andere Belgische steden ook nog zo’n late uitbraak plaatsvond, en of in andere Europese havensteden van waaruit Oost-Europese emigranten vertrokken, zoals Hamburg, Bremen, Liverpool, Napels en Palermo, ook late roodvonkepidemieën optraden.
