Vroedvrouwen en de overlevingskansen van zuigelingen

door Sanne Muurling // 22 september 2022

Vroedvrouw toont een vader zijn pasgeboren kind, Nicolas Toussaint Charlet, 1836 // Collectie Rijksmuseum

Vandaag de dag is Nederland een van de weinige welgestelde Westerse landen waarin verloskundigen nog een belangrijke rol spelen bij de geboorte van een kind. Waar kinderen in de meeste andere Europese landen bijna altijd worden geboren in het ziekenhuis, bevalt nog altijd een kwart van de Nederlandse zwangere vrouwen thuis onder begeleiding van een verloskundige. In het verleden was dit aandeel nog veel hoger. In 1910 werd maar liefst zestig procent van de kinderen geboren met behulp van een vroedvrouw, de historische voorgangster van de verloskundige. Voor de twintigste eeuw kwam waarschijnlijk het overgrote gedeelte van de Nederlandse bevolking zo ter wereld.

Al gedurende de vroegmoderne tijd was de opleiding van vroedvrouwen goed geregeld: in Amsterdam vanaf 1668 eerst via het zogenaamde Collegium Obstetricium en later onder andere via de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht. In 1818 zorgde een nieuwe wet ervoor dat de prijzen voor allerlei medische ingrepen werden vastgelegd. Daarom weten we dat vroedvrouwen in Zuid-Hollandse steden gemiddeld tussen de 3 en 25 gulden ontvingen voor hun werk, terwijl het op het platteland de helft kostte. Vermoedelijk deden de prijzen in Amsterdam niet onder voor hun Zuid-Hollandse evenknie. Het waren geen luttele maar ook geen exorbitante bedragen, maar zij die dit niet op konden brengen konden aanspraak maken op een van de stadsvroedvrouwen die waren aangesteld om de zogenaamde stadsarmen bij bevallingen bij te staan. Deze stadsvroedvrouwen verdienden een vast bedrag van tussen de 200 en 300 gulden per jaar, wat gelijk stond aan het salaris van een gemiddelde arbeider in die tijd. In theorie had elke zwangere vrouw zo toegang tot een vroedvrouw.

Wetenschappers vermoeden dat het in de buurt hebben van zo’n vroedvrouw wel eens voordelig kan zijn geweest voor de overlevingskansen van zuigelingen in het verleden. Als de vroedvrouw een kortere afstand hoefde af te leggen tussen haar huis en dat van de moeder, kon zij er sneller bijzijn wanneer de bevalling begon en bovendien sneller ingrijpen wanneer er iets misging, zo luidt het idee. Zwangere vrouwen die woonden in afgelegen gebieden, of gewoonweg in buurten waar weinig vroedvrouwen woonden, zouden zo wellicht benadeeld kunnen zijn geweest.

Vignet met een uithangbord van een vroedvrouw, Isaac Weissenbruch, 1836-1912, Collectie Rijksmuseum

Om te kijken of we zo’n afstand-effect op de kindersterfte in Amsterdam kunnen vinden, hebben we een tijd geleden een database aangelegd met medici, waaronder vroedvrouwen. De Amsterdamse adresboeken vormden hiervoor de belangrijkste bron, maar voor het jaar 1856 hebben we de gegevens bovendien kunnen aanvullen met informatie uit het bevolkingsregister van 1851-1853. Zo hebben we de woonadressen van 66 vroedvrouwen kunnen achterhalen, die in 1856 in de stad actief moeten zijn geweest. Hiermee hebben we per sterfgeval kunnen berekenen wat de afstand was van de dichtstbijzijnde vroedvrouw.

Interessant genoeg lijkt de invloed van afstand tot een vroedvrouw in Amsterdam in het midden van de negentiende eeuw niet zo groot te zijn geweest als men wellicht zou verwachten. In onze recente statistische analyse van overlevingskansen van alle in 1856 geboren kinderen komt die afstand in ieder geval niet naar voren als invloedrijke factor. Niet wanneer we kijken naar de kindersterfte als geheel, en ook niet als we verschillende groepen doodsoorzaken afzonderlijk bestuderen. Alleen wanneer we alle andere risicofactoren weglaten uit het model, lijken zuigelingen van jonger dan zes maanden oud een aanzienlijk grotere sterftekans te hebben gehad (bijna twee keer zoveel) als de dichtstbijzijnde vroedvrouw meer dan 600 meter weg woonde. Dit effect verdwijnt overigens weer in z’n geheel wanneer we rekening houden met andere factoren, zoals verschillen in sociale klasse en religie.

Afstanden in kilometers van woonadressen tot de dichtstbijzijnde vroedvrouw, circa 1856

De kaart die we kunnen maken van de woonadressen van vroedvrouwen maakt inzichtelijk hoe we dit verschijnsel waarschijnlijk moeten verklaren. Weergegeven met een kruisje zijn de woonadressen van de vroedvrouwen; alle stippen zijn alle adressen die in deze tijd bestonden (dus niet alleen van overlijdens). De kleuren representeren de afstand van die adressen tot het woonadres van de dichtstbijzijnde vroedvrouw. Twee zaken worden direct duidelijk. Allereerst springt in het oog hoe verspreid de vroedvrouwen over de stad eigenlijk woonden. Behalve het gebied rond Artis, de Westelijke en Oostelijke eilanden, en de buitengebieden lijkt het erop dat er altijd wel een vroedvrouw in de buurt woonde. Sterker nog, voor 75 procent van de adressen gold dat er op minder dan 200 meter afstand een vroedvrouw woonde. Die redelijke verspreiding over de stad maakt het wel begrijpelijk waarom afstand in Amsterdam geen belangrijke risicofactor voor zuigelingensterfte lijkt te zijn geweest.

Een tweede aspect dat opvalt aan de kaart, is dat vroedvrouwen ook woonachtig waren in de armere buurten van de stad. Er vond in dit opzicht dan ook geen soort van segregatie plaats, waarbij alleen rijkere Amsterdammers een vroedvrouw nabij zouden hebben. Vermoedelijk komt dit deels door de opbouw van de stad, en de grote sociale heterogeniteit binnen buurten: arm en rijk woonden letterlijk om de hoek van elkaar. Maar daarnaast moeten we ook weer denken aan de economische situatie van vroedvrouwen, die vermoedelijk helemaal niet per definitie rooskleurig was. Uit het bevolkingsregister blijkt bijvoorbeeld dat Femmetje Baren(d)s en haar als sjouwer werkzame echtgenoot in een tijdsbestek van één decennium maar liefst tien keer verhuisden, elke keer van drukbevolkte krotwoning naar kelderwoning en weer terug. In de academische literatuur wordt zo’n hoge mate van mobiliteit vaak als een overlevingsmechanisme beschouwd. Elke keer als de huur niet betaald kon worden, of als de situatie onhoudbaar werd, verkaste men. Het leven in de negentiende eeuw was uiterst precair, ook voor hen die zelf een belangrijke bijdrage leverden aan het overleven van de meest kwetsbaren.

2 gedachten over “Vroedvrouwen en de overlevingskansen van zuigelingen”

    1. Nee, hier hebben we alleen de vroedvrouwen bekeken! We hebben wel ook alle gegevens van andere ‘geneeskundigen’ verzameld, zoals de vroedmeesters, chirurgijnen, etc., dus het zou wel kunnen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.