Zo maakte kanker steeds meer slachtoffers

door Owen Lammertink // 7 oktober 2021

Twee- en drielingen in actie bij de kankerbestrijding // Nationaal Archief

Gedurende een lange periode in de negentiende eeuw zag het sterftepatroon er redelijk hetzelfde uit: epidemieën van infectieziekten en excessieve zuigelingen- en kindersterfte domineerden het beeld. De gemiddelde leeftijd van overlijden lag dan ook laag, wat ook blijkt uit figuur 1. Met het geleidelijk aan uitdoven van deze epidemieën, nam de gemiddelde leeftijd van overlijden gestaag toe, waarbij deze rond 1920 zelfs de vijftig jaar bereikte. Met het ouder worden van de Amsterdamse bevolking, nam ook de kans op het krijgen van een degeneratieve (moderne) ziekte toe. Immers, aandoeningen als kanker en hart- en vaatziekten zijn ziekten die men vooral op latere leeftijd krijgt. Voor nu is het de moeite waard om te bekijken of de toename van de sterfte aan, in dit geval, kanker daadwerkelijk toenam en welke vormen van kanker daarin dan dominant waren.

Figuur 1. De gemiddelde leeftijd van overlijden van de Amsterdamse bevolking (zonder levenloos geborenen)

De term kanker beslaat een groep van verschillende vormen van kankers, maar hebben één overeenkomstig kenmerk, namelijk de groei van cellen ergens in het lichaam waardoor tumoren ontstaan. Deze kankercellen kunnen zich vervolgens via het bloed of via lymfeklieren uitzaaien in andere delen van het lichaam. In figuur 2 zijn de sterftecijfers naar verschillende vormen van kanker per 100.000 Amsterdammers opgenomen. Hieruit blijkt dat over het algemeen de sterfte onder alle vormen van kanker (behalve aan ‘kanker aan geslachts- en voortplantingsorganen’) tussen 1856 en 1926 is toegenomen. Hiervoor kunnen een drietal verklaringen worden gegeven.

 Allereerst het al eerdergenoemde feit dat de Amsterdamse bevolking, als gevolg van het uitdoven van de epidemieën van infectieziekten, ouder werd. Dit noemen we de epidemiologische transitie. Ten tweede veranderde de levensstijl van mensen na 1850: mensen gaan alsmaar ongezonder leven. Als laatste verbeterde de medische kennis waardoor doodsoorzaken beter werden gediagnosticeerd. Sommige onderzoekers vragen zich af of de toename van de sterfte aan kanker wel reëel is, aangezien het ook zou kunnen zijn dat artsen gewoon beter werden in het opsporen van kanker. Al in 1915 was dit een discussiepunt onder onderzoekers. Frederick Hoffman zei toen dat de toename van het sterftecijfer aan kanker echt is. Volgens hem zou het namelijk onmogelijk zijn dat medici in deze periode in zulke grote aantallen kanker niet hebben kunnen diagnosticeren.

Figuur 2. Sterftecijfers aan kanker per 100.000 personen

Uit figuur 2 blijkt dat voornamelijk ‘kanker aan maag, darmen, spijsverteringsorganen en buikholte’ tussen 1854 en 1926 sterk toeneemt. Vanaf het begin van de twintigste eeuw gaan andere vormen van kanker een steeds grotere rol spelen, waaronder bijvoorbeeld kanker aan longen (door roken), alvleesklier (door roken), slokdarm (door roken en drinken), dikke darm en endeldarm (ongezonde levensstijl) en prostaat (leeftijd). Deze verschuiving, de zogeheten ‘kankertransitie’ zien we hier echter nog niet terug. 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.