De uitzonderlijke gezondheidstoestand
van de Joodse buurten

door Sanne Muurling // 18 november 2021

Jodenbreestraat gezien naar de Zwanenburgwal met het hoekhuis Sint Antoniesbreestraat 102 en daarachter de toren van de Zuiderkerk, ca. 1875 t/m 1883 // Stadsarchief Amsterdam

Er was iets bijzonders aan de hand met de Joodse buurten van Amsterdam. Dat concludeerden verschillende geneeskundigen die onderzoek deden naar de gezondheidstoestand van Amsterdam in de tweede helft van de negentiende eeuw. Enkele jaren voor zijn benoeming tot lector aan het Atheneum Illustre van Amsterdam schreef Abraham Hartog Israëls in 1862 een artikel over kindersterfte in de stad. Op basis van de verzamelde gegevens voor de jaren 1854 tot en met 1859 merkte hij belangrijke sterfteverschillen op tussen de buurten.

Deze verschillen vielen in belangrijke mate samen met de variërende sociaal-economische kenmerken van die buurten (zie figuur 1 voor de buurtindeling van het midden van de negentiende eeuw). Zo werden in de gegoede buurt LL in de Noordelijke grachtengordel ten hoogte van de Dam 1 op de 23 kinderen levenloos geboren, terwijl dat lot in buurt QQ in de Jordaan 1 op de 13 kinderen betrof. Ook de sterfte van zuigelingen voor het eerste levensjaar liep sterk uiteen: stierf in de ene buurt 16 procent van de levendgeborenen voor de eerste verjaardag, dan kon dat in een andere buurt bijna het dubbele zijn. “Armoede gepaard met physieke en morele ellende […] schijnt de hoofdfactor der sterfte te zijn”, concludeerde Israëls, “ofschoon niet de eenige.” Deze laatste paar woorden waren een belangrijke nuance: de verschillende Joodse buurten pasten namelijk totaal niet in het eerder geschetste patroon.

Figuur 1. Bruto sterftecijfers per 1000 inwoners in de verschillende Amsterdamse buurten in de periode 1867-1870. De Joodse buurten zijn blauw omlijnd.

Hoewel ook voor verschillende andere delen van de stad gold dat de link armoede – hoge sterfte niet zomaar gelegd kon worden, sprong de gezondheidstoestand van de Joodse buurten bijzonder in het oog. Uit verscheidene rapportages blijkt dat buurten S, R, P en Q en (de buurten rondom de Jodenbreestraat) namelijk een zeer gunstige sterfteverhouding kenden, die onevenredig was aan de hoge bevolkingsdichtheid en de “hoogst armoedige bevolking”. Dit gold onder andere voor levenloos geboren kinderen en zuigelingensterfte. Zo werd het dichtbevolkte Marken (buurt S) gekenmerkt door het hoogste geboortecijfer van de hele stad (1 op 25 geboortes), maar leverde zij slechts 19 procent van de gestorvenen van het eerste jaar. Uit een ander onderzoek uit hetzelfde jaar van Isaac Teixera de Mattos, secretaris van de Stedelijke Geneeskundige Dienst, bleek dat de sterfte ook voor alle leeftijden boven de vier jaar kleiner was dan bij de rest van de bevolking gedurende 1856-1862. Onder andere de gewoonte om borstvoeding te geven, de goede zorgen voor kinderen, hygiënische praktijken, het weinige misbruik van sterke drank en de “betrekkelijk geringe uitbreiding der prostitutie” onder de Joodse bevolking werden genoemd in de rapporten als mogelijke oorzaken van de gunstige sterfteverhoudingen.

Figuur 2. Joden Houttuinen naar Markenplein gezien, circa 1880

Hoe verging het de bewoners van de Joodse buurten ten tijde van een epidemie? Brachten zij het er ook dan disproportioneel goed van af? Het antwoord op die vraag is niet eenduidig: het lijkt nogal te hebben verschild per ziekte. Uit ons onderzoek naar de pokkenepidemie van 1871 blijkt dat er een relatie bestond tussen de welvaart van een buurt en sterfte aan pokken. In het kort: hoe rijker de buurt, hoe minder doden er vielen per 1000 inwoners. In de Joodse buurten – hoe arm die ook waren – werden echter relatief weinig pokkenoverlijdens geteld. Hiermee vormden zij een duidelijke uitzondering op het patroon dat voor de rest van de stad gold. Er is weleens gesuggereerd dat de vaccinatiebereidheid hoog was onder de Joodse bevolking. We weten in ieder geval dat Joodse artsen zeer actief waren binnen de hygiënistenbeweging, een groep artsen die zich bezig hielden met de volksgezondheid en ook koepokinenting openlijk stimuleerden. Mogelijk was het dus een hoge vaccinatiegraad die ervoor heeft gezorgd dat de pokkenepidemie goeddeels aan de Joodse buurten voorbijging.

Figuur 3. Twee belangrijke epidemieën en hun overlijdens per 10.000 inwoners. Het verschil in hoe deze twee uitbraken uitpakten voor de Joodse buurten (te herkennen aan de J) kon eigenlijk niet groter zijn: ze werden zwaar getroffen door de cholera, maar amper door de pokken.

Bij sommige andere epidemieën mochten de geprezen goede zorgen en hygiënische praktijken niet baten. Zo werden de Joodse buurten hard getroffen door de cholera-epidemie van 1866. In Marken (buurt S) overleden maar liefst 19 per 1000 inwoners, tegenover minder dan 1 in buurt LL in de Noordelijke grachtengordel. Cholera werd vooral overgebracht via besmet water, en ook door contact met ontlasting of braaksel van een choleralijder. Dat schoon water van belang was om besmetting te voorkomen, werd al vermoed in de jaren zestig. In een in het Algemeen Handelsblad gepubliceerde ingezonden brief van 4 mei 1866 merkte ene E.H. von Baumhauer op dat het immers wel heel frappant was dat de Amsterdamse burgerij, “op eene in het oog vallende wijze gespaard gebleven” was ten tijde van de laatste epidemie, terwijl ze het bij eerdere epidemieën ook hadden moeten ontgelden. Zou dat te maken hebben kunnen gehad met het ontbreken van (voldoende nabije) standpijpen met schoon water in de armere gedeeltes van de stad, waartoe ook de Joodse buurten behoorden? Dat lijkt niet onwaarschijnlijk te zijn geweest.  De cholera-epidemie toont hiermee goed aan hoe voorwaardelijk zo’n sterftevoordeel was. Zelfs in buurten waarin mensen door allerlei culturele keuzes en gewoontes relatief weinig sterfte kenden, kon men niet altijd onstnappen aan diens ongezonde leefomgeving.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.