Wanneer overleden Amsterdammers
niet meer voornamelijk aan infectieziekten?

door Owen Lammertink // 30 december 2021

Het Pesthuis, later Buitengasthuis en omgeving  // Stadsarchief Amsterdam

Een versie van dit artikel verscheen eerder op doodinamsterdam.nl

In 1971 verscheen een baanbrekende studie van de epidemioloog Abdel Omran. In dit artikel formuleerde hij een stelling: gedurende het grootste gedeelte van de negentiende eeuw stierven mensen in westerse landen aan infectieziekten. Richting het einde van die eeuw trad hier verandering in op: het sterftecijfer aan infectieziekten daalde tot zo’n laag punt dat degeneratieve ziekten, als kanker en hart- en vaatziekten, de voornaamste oorzaak van overlijden werden. Deze verschuiving, zo stellen deskundigen, zou in Nederland zijn begonnen tussen 1870 en 1880. Omdat deze onderzoekers gebruik maken van nationale tellingen die schuilgaan achter negentiende-eeuwse ziekteclassificaties, bestaat de kans dat het beeld dat zij schetsen niet helemaal juist is. Met behulp van het Amsterdamse doodsoorzakenregister kan dit probleem opgelost worden. In dit register is namelijk de precieze doodsoorzaak van elk individu dat in Amsterdam is overleden tussen 1856-1926 vastgesteld, waardoor we zelf de doodsoorzaken kunnen classificeren.

De epidemiologische transitie in Amsterdam
Figuur 1. Een weergave van de sterftecijfers van de Amsterdamse bevolking (1856-1926). Onder niet-gecategoriseerde doodsoorzaken vallen de doodsoorzaken ‘onbekend’, ‘ouderdom’ en ‘overige onduidelijk gedefinieerde aandoeningen’. Onder ‘externe oorzaken’ vallen doodsoorzaken als (zelf)moord en ongevallen.

In figuur 1 zijn de sterftecijfers per 1.000 Amsterdammers opgenomen voor vijf verschillende doodsoorzakencategorieën. Aan de hoge pieken van de sterfte door infectieziekten is te zien dat Amsterdam tot 1890 werd geteisterd door epidemieën als de cholera (1859 en 1866), de pokken (1871), mazelen (1880) en difterie (1883-1884). Het aantal sterftepieken nam hierna af en de algehele sterfte aan infectieziekten daalde hard. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door verbeterde hygiëne, gezondheidszorg en voedselconsumptie. Tegelijkertijd lijkt de sterfte aan degeneratieve ziekten (in de figuur te zien onder de term ‘niet-infectieziekten’) na een kleine toename tot 1870 te stabiliseren en zelfs iets af te nemen. Uiteindelijk worden deze degeneratieve aandoeningen na 1905 de belangrijkste oorzaak van overlijden. Dit is dus 30 tot 40 jaar later dan het Nederlandse gemiddelde dat onderzoekers eerder concludeerde

Leeftijdsafhankelijk

Toch klopt dit niet helemaal. Dat komt door het aandeel van de zuigelingen- en kindersterfte dat heel groot was (ongeveer de helft van het aantal overlijdens tussen 1854 en 1926). Zuigelingen en kinderen stierven praktisch altijd aan infectieziekten en nooit aan degeneratieve aandoeningen. Hierdoor vertroebelt de verschuiving in het sterftepatroon. Als we alle Amsterdammers jonger dan 20 uit de data filteren krijgen we een andere conclusie. Dit is te zien in figuur 2. Na de pokkenepidemie van 1871 daalt de sterfte aan infectieziekten onafgebroken tot ongeveer 2 per 1.000 personen in 1926, met uitzondering van de jaren 1918 en 1919 vanwege de Spaanse griep. De sterfte door degeneratieve aandoeningen neemt tussen 1854 en 1866 toe, waarna deze stabiel blijft tussen de 7 en 9 sterfgevallen per 1.000 personen. Vanaf dat moment komt de sterfte aan infectieziekten niet meer boven de sterfte aan degeneratieve aandoeningen. Uit deze cijfers lijkt de epidemiologische transitie in Amsterdam dus al voltooid te zijn in 1872! Dit is eerder dan we hierboven concludeerde. De epidemiologische transitie was dus leeftijdsafhankelijk.

Figuur 2: Een weergave van de Crude Death Rate van infectieziekten en niet-infectieziekten voor de Amsterdamse bevolking van 20 jaar en ouder tussen 1854 en 1926.

Onder welke leeftijdsgroep vond de epidemiologische transitie dan als eerste plaats? In figuur 3 is de sterfteontwikkeling naar vier leeftijdscategorieën weergeven. Onder Amsterdammers in de leeftijdscategorie 20-49 jaar blijven infectieziekten tot na de eeuwwisseling de belangrijkste oorzaak van overlijden. Voor de groep 50-59 jaar vindt de overgang naar degeneratieve aandoeningen al eerder plaats: in de jaren 60 van de negentiende eeuw. In de leeftijdscategorie van 60-69 jaar en 70+ valt er geen verschuiving in het doodsoorzakenpatroon te constateren in de tijdspanne van dit onderzoek. Hier waren degeneratieve aandoeningen al de dominante doodsoorzaak bij aanvang van de onderzoeksperiode.

Figuur 3: Een weergave van de Crude Death Rates van infectieziekten, niet-infectieziekten, externe oorzaken (als ongevallen en moord) en niet gecategoriseerde doodsoorzaken (als onbekend, ouderdom en onduidelijk gedefinieerd) voor de Amsterdamse bevolking in vier verschillende leeftijdscategorieën tussen 1854 en 1926.

Namen degeneratieve ziekten toe?

Er dient nog een kanttekening te worden geplaatst. In de bovenstaande figuren is een stijging van degeneratieve ziekten te zien. De vraag is echter of deze toename reëel is. Tegelijk zien we namelijk een daling van niet-gecategoriseerde oorzaken zoals onbekende oorzaken en vage of onduidelijk gedefinieerde oorzaken. Volgens verschillende onderzoekers bestaat er dan ook een verband tussen beide ontwikkelingen. De sterfte aan vage doodsoorzaken nam volgens hen namelijk af door een betere diagnostisering van degeneratieve aandoeningen door artsen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.