Ongelijkheid in gezondheid en doodsoorzaak binnen één buurt, Amsterdam 1858-1860

door Owen Lammertink // 25 november 2022

De Palmstraat 1861 // Stadsarchief Amsterdam

Uit het bevolkingsregister van 1851 kunnen we opmaken dat Maria Elisabeth Geijst ongehuwd, en zonder familie, woonde aan de Lindenstraat 716 in de Jordaan (buurt PP). Geboren in Amsterdam als dochter van een broodbakker, woonde zij met haar familie de eerste jaren na haar geboorte in de buurt van de Nieuwmarkt (buurt O), maar ze verhuisden uiteindelijk naar de Jordaan. Uit de Amsterdam Cause-of-death Database blijkt dat Maria op 10 februari 1858 op twintig jarige leeftijd is overleden aan longtuberculose. Op nog geen 250 meter afstand van het huis van Maria woonde Jacoba Volkers, aan de Lindengracht 17 (buurt PP). Jacoba, ooit gehuwd met Hermanus Gerrit Kas en later met Garmet Kas, overleed op 75-jarige leeftijd in het Buitengasthuis aan een longoedeem als gevolg van hartfalen. Twee vrouwen woonachtig in dezelfde buurt in de Jordaan, op nog geen drie minuten lopen van elkaar verwijderd, overleden een dag na elkaar op beduidend andere leeftijden en als gevolg van andere oorzaken. Zijn Maria en Jacoba exemplarisch voor de ruimtelijke verschillen in sterfte en specifieke doodsoorzaken binnen buurten, of vormen zij slechts de uitzondering op de regel?

Om hier antwoord op te kunnen geven, bekijken we welke ruimtelijke verschillen bestonden in zowel sterfte als specifieke doodsoorzaken in drie buurten van de Jordaan (buurt NN, OO en PP) en twee buurten langs de grachtengordel (buurt RR en SS), zie hiervoor figuur 1. Om dit goed te kunnen onderzoeken, zijn alle woonadressen van overleden inwoners in de Amsterdamse doodsoorzakendatabase gegeorefereerd. Zo kunnen individuen worden gekoppeld aan een fysieke locatie in een gebied, in dit geval Amsterdam. Hierdoor zijn we in staat om voor de periode 1858-1860 voor de 1.143 overleden stedelingen van 20 jaar en ouder ruimtelijke verschillen in sterfte en doodsoorzaken in kaart te brengen.

Figuur 1 – De kaart van Amsterdam (links) met daarin de buurten NN, OO, PP, RR en SS aangemerkt en een ingezoomde kaart (rechts) van deze vijf buurten met bebouwing voor het jaar 1860.

a= Tiggelstraat                                               b = Eerste Lindendwarsstraat                                                                                    c = Noorderkerkstraat                                   d = Lindenstraat                                                                                                         e = Boomstraat                                              f = Eerste Boomdwarsstraat                                                                                     g = Tweede Anjeliersdwarsstraat               h = Tuinstraat                                                                                                                i = Derde Egelantiersdwarsstraat               j = Eerste Egelantiersdwarsstraat                                                                             k = Bergstraat                                                l = Prinsenstraat                                                                                                         m = Heerenstraat                                         n = Slootstraat                                                                                                       (bron: de kaart met bebouwing in Amsterdam voor het jaar 1860 komt voort uit het HISGIS-project Amsterdam dat is uitgevoerd door de Fryske Akademie in samenwerking met het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

We kijken hiervoor eerst naar figuur 2, met daarin per straat de gemiddelde leeftijd bij overlijden. In één oogopslag wordt duidelijk dat er zowel tussen als binnen buurten verschillen in gemiddelde leeftijden bij overlijden bestonden. Zo lag de gemiddelde leeftijd bij overlijden in de periode 1858-1860 aan bijvoorbeeld de Prinsengracht (buurt RR en SS), Brouwersgracht (buurt SS) en Lindengracht (buurt PP) relatief hoog, maar ook in enkele straten zoals de Karthuizersstraat (buurt PP), de Noorderkerkstraat (buurt PP) en de Derde Egelantiersdwarsstraat (buurt NN). Anders was dit aan de Eerste Lindendwarsstraat (buurt PP), de Slootstraat (buurt OO), de Lindenstraat (buurt PP), de Eerste Boomdwarsstraat (buurt PP), de Tweede en Derde Egelantiersdwarsstraat en de Tweede Anjeliersdwarsstraat (buurt OO). Hier lag de gemiddelde leeftijd bij overlijden tussen 1858 en 1860 juist erg laag. Hierbij constateren we dat, daar waar de gemiddelde leeftijd bij overlijden in de twee welvarende buurten over het algemeen gemiddeld hoog lag, de sterfteleeftijd in de drie buurten van de Jordaan het patroon van de residentiële segregatie op basis van sociaal-economische status lijkt te volgen. Dat wil zeggen een hogere leeftijd bij overlijden voor de gegoede leden van de middenklasse aan de betere grachten en straten en een lagere overlijdensleeftijd voor de arbeiders in de armere straten, gangen en steegjes van de Jordaan. Het leven in deze straatjes week beduidend af van het soms decadente bestaan aan de grachten.

Figuur 2 - een visuele weergave van de gemiddelde leeftijd bij overlijden onder de Amsterdamse bevolking van twintig jaar en ouder voor de periode 1858-1860 in de buurten NN, OO, PP, RR en SS. (bron: bureau voor Statistiek, Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 5185).

De vraag is nu of deze verschillen in de leeftijd van overlijden zich ook vertalen in verschillen naar doodsoorzaak? Armere stedelingen, die opeengepakt in kleine, vochtige ruimtes woonden, leefden veelal in de meest verpauperde straatjes, steegjes en gangen van de stad. Aangezien infectieziekten veelal via contact worden doorgegeven, is de verwachting dat we in de gekozen buurten clusters van infectieziekten gaan vinden. De rijkere bovenlaag, die erin was geslaagd een infectieziekte te ontlopen of voldoende weerstand had opgebouwd om, wanneer hij of zij besmet zou worden, niet aan een infectieziekte te overlijden, overleed over het algemeen op latere leeftijd aan een degeneratieve aandoening. En aangezien we hebben vastgesteld dat in heterogene buurten de rijke en arme Amsterdammers van elkaar gescheiden woonden, met rijke Amsterdammers aan de grachten en de armste stedelingen in de steegjes en gangen, mogen we wellicht ook clusters van degeneratieve aandoeningen verwachten. Om dit te kunnen onderzoeken, hebben we de doodsoorzaken van alle Amsterdammers die tussen 1858-1860 in de buurten NN, OO, PP, RR en SS zijn overleden gecategoriseerd naar infectieziekten en degeneratieve aandoeningen. Vervolgens zijn de aantallen slachtoffers naar doodsoorzaak per straat opgeteld en gedeeld door het totaal aantal slachtoffers in diezelfde straat. Op die manier is figuur 3 tot stand gekomen. Een donkerpaarse straat (in de legenda het blokje helemaal links bovenin) betekent dat in die straat meer dan 40 procent van de bewoners aan infectieziekten is overleden en bij donkergroen (in de legenda rechts onderin) is meer dan 40 procent aan degeneratieve aandoeningen overleden. Bij donkerblauw (in de legenda rechts bovenin) is in de betreffende straat zowel meer dan 40 procent overleden aan infectieziekten als 40 procent aan degeneratieve aandoeningen.

foto owen 3
Figuur 3 – een visuele weergave van de sterfte aan infectieziekten en degeneratieve aandoeningen onder de Amsterdamse bevolking van twintig jaar en ouder voor de periode 1858-1860 in de buurten NN, OO, PP, RR en SS. (bron: bureau voor Statistiek, Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 5185. Kaart ontworpen door dr. Sanne Muurling).

Zoals we op basis van de literatuur mogen verwachten, zien we in alle vijf de buurten voor de periode 1858-1860 enkele clusters van infectieziekten. Deze waren te vinden aan de Tuinstraat (buurt NN en OO), de Eerste Egelantiersdwarsstraat (buurt NN), de Slootstraat (buurt OO), de Kromme Tuinstraat (buurt OO), de Ratelwachtsteeg (buurt NN), de Anjeliersgracht (buurt OO en PP), de Tiggelstraat (buurt PP), de Gieterstraat (buurt PP), de Lindenstraat (buurt PP) en de Leliegracht (buurt RR). In deze straten was van het totaal van het aantal overledenen veertig procent of meer gestorven aan een infectieziekte. Niet alleen is het niet verwonderlijk dat in relatief veel straten meer dan veertig procent van alle overledenen gestorven is aan een infectieziekte, de infectiedruk op de stad was op dit moment namelijk nog hoog, ook zien we dat in alle straten waar veel mensen zijn gestorven aan infectieziekten, met uitzondering van de Eerste Egelantiersdwarsstraat (buurt NN), de gemiddelde leeftijd bij overlijden betrekkelijk laag lag (figuur 2). Voor de periode 1858-1860 is er een aantal straten waar de sterfte aan degeneratieve aandoeningen naar verhouding hoger lag dan in andere straten, bijvoorbeeld aan de Heerengracht (buurt RR en SS), de Lindengracht (buurt PP), de Boomstraat (buurt PP), de Lijnbaansgracht (buurt NN, OO en PP), de Tweede Egelantiersdwarsstraat (buurt NN) en de Korstjespoortsteeg (buurt SS). Hiermee lijkt ons vermoeden, dat er naast clusters van infectieziekten ook clusters van degeneratieve aandoeningen bestonden, voor 1858-1860 te worden bevestigd. Deze clusters waren niet alleen aanwezig in de twee meer welvarende buurten in het centrum, maar ook in de buurten in de Jordaan. Ook hier vinden we aan enkele meer welvarende grachten en straten clusters van degeneratieve aandoeningen.

Zo lijken we voorzichtig vast te kunnen stellen dat er in de Amsterdamse buurten van de negentiende eeuw ruimtelijke verschillen in sterfte en doodsoorzaken bestonden, en dat we Maria Elisabeth Geijst en Jacoba Volkers inderdaad als exemplarisch kunnen beschouwen voor die verschillen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *