Stromend water en frisse lucht: de gunstige ligging van de Amsterdamse joodse buurten

door Evelien Walhout // augustus 2022

Buurttafereel in de Jodenbuurt, circa 1880 (Stadsarchief Amsterdam / Frederik Muller, Friedrich Wilhelm Wittig, Franz Robert Richard Brend’amour).

De gunstige gezondheidstoestand van joden ten opzichte van christenen in de negentiende eeuw bleef lokale autoriteiten en vooral artsen en wiskundigen lange tijd fascineren. Dit leidde ertoe dat de gemeente Amsterdam bij de registratie van overlijdens en doodsoorzaken de godsdienst van de overledene als een belangrijk kenmerk zag en deze dus ook graag geregistreerd zag. De verzamelde gegevens lieten steeds weer verschillen zien in ziektepatronen en sterftekansen tussen joden en niet-joden. Tot een eenduidige interpretatie van die verschillen tussen beide groepen kwam het vooralsnog niet. Hier volgt een kleine greep uit de veelheid aan studies waarin tijdgenoten probeerden de waargenomen verschillen in Amsterdam te duiden. Hierbij werd niet alleen gedacht aan kenmerken of het gedrag van de betreffende groepen maar ook aan hun directe leefomgeving: de buurten.

Gedurende de negentiende eeuw raakte het idee dat de wijk of buurt waarin men woonde van invloed was op de gezondheid steeds meer in zwang en werd ‘medische topografie’ genoemd. De stad Amsterdam met haar verschillende wijken en ligging aan het water werd hierdoor een geliefd studieobject. Artsen waren vooral geïnteresseerd in gegevens over de joodse buurten, in vergelijking met arbeidersbuurten, zoals de Jordaan. Het sociale isolement van de joodse bevolking kon van invloed zijn op haar sterftekansen maar de ligging van de buurt speelde daarbij ook een rol. Volgens de Amsterdamse joodse arts Abraham Hartog Israëls (1822-1883) werden de buurten die voor verreweg het grootste deel werden bewoond door arme joden namelijk ‘niet geplaagd door stilstaand water in de grachten, en hadden geen gebrek aan verse lucht’.

Met het oog op verschillen in het voorkomen van infectieziekten kwamen diarreeziekten, zoals cholera en dysenterie, minder voor in de joodse buurten. Lucas Jacob Egeling (1824-1894), die zich baseerde op een studie van de joodse arts, inspecteur van gezondheid én raadslid Isaac Teixeira de Mattos (1821-1904) uit 1860, meende dat de oorzaak daarvan was dat bij dit deel van de bevolking ‘zuigelingen bijna zonder uitzondering met moedermelk [worden] gevoed; de zorg, die de ouders, en vooral de moeders, voor hunne kinderen dragen, is, althans in de eerste jaren van hun leven, zeer groot’. Hij vervolgde echter: ‘daarenboven onderscheiden zich de hier bedoelde gedeelten der stad door eene vrij gunstige ligging, zoodat versche lucht er vrijelijk kan doorheen stroomen’. Ook de goede bodemgesteldheid speelde een rol. Ter verklaring van de lagere sterfte in joodse buurten werden telkens weer de lokale omstandigheden in die buurten aangevoerd: frissere lucht en betere doorstroming in de grachten, meer dan de gewoonten en leefstijl van de bewoners.

Dit veranderde begin twintigste eeuw. In 1904 publiceerde de Amsterdamse arts Bernarclus H. Stephan (1859-1918) een omvattend overzicht van de sterfteverschillen tussen joden en de gemengde christelijke bevolking. Gegevens over Amsterdam, enerzijds van de joodse wijken, anderzijds van de Jordaan, een wijk van gelijk sociaaleconomisch niveau, wezen uit dat in de jaren 1890-1900 de sterfte in de joodse wijken flink beneden het gemiddelde lag. Stephan wees erop dat de meeste infectieziekten bij joden zeldzamer voorkwamen, of bij hen veel milder verliepen. Stephan verklaarde dit vanuit het veel minder voorkomen onder de joden van syfilis en alcoholisme.

Een paar jaar later, in 1908, besprak Hermanus Pinkhof (1863-1943), een Amsterdams joodse arts, tijdens de jaarvergadering van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst de oorzaken van de langere levensduur en het lagere sterftecijfer onder de joden. Pinkhof zag niet veel heil in de opvatting dat de lage sterftecijfers van de Amsterdamse joden vooral werden veroorzaakt door fysieke kenmerken van hun buurt. Het verschijnsel was immers van alle landen en vereiste daarom ook een verklaring die algemeen geldig was. Pinkhof zag de oorzaak vooral in de levenswijze van de joden die zich onder meer in ‘matigheid en de familiezin’ onderscheidt. Als een tweede belangrijke eigenschap zag Pinkhof het ‘hygiënisch instinct’, onder meer wijzend op de voordelen van de huwelijks- en spijswetten. Een voorbeeld van een huwelijkswet betrof de seksuele onthouding tijdens de menstruatie en een periode van zeven dagen daarna. De vrouw moest vervolgens in het rituele bad, het mikwe. Een voorbeeld van een spijswet betrof het verbod op het eten van varkensvlees, schaaldieren, wild en ongeschubde vissen (voedsel met extra kans op infecties).

Het meest omvattende onderzoek naar de oorzaken van sterfteverschillen tussen joden en niet-joden werd in 1918 gepubliceerd. De joodse arts Jacob Sanders (1887-1945) maakte hiervoor gebruik van speciaal voor hem beschikbaar gestelde gegevens. De sterftekaarten die op het Amsterdamse Bureau voor Statistiek over de jaren 1901 tot 1913 aanwezig waren, bevatten tevens informatie over de godsdienst van de overledenen. Daarnaast beschikte Sanders over aangiften van besmettelijke ziekten over de jaren 1901 tot 1910. Ter verklaring van de gevonden verschillen stelde hij: ‘de meerdere zorg, welke de Joodsche ouders aan hunne kinderen besteden, het vroegtijdig inroepen van geneeskundige hulp, het weinig of niet gebruiken van alcohol, de spijswetten’. De lagere sterfte aan infectieziekten bij joden schreef Sanders deels toe aan de segregatie: joden woonden vaak geheel afgesloten van de overige bevolking, het verkeer tussen joden en niet-joden bleef tot het hoogst noodzakelijke beperkt, in elkaars woonhuizen kwamen zij zelden of nooit. De joodse wijken hadden bovendien hun eigen waterbronnen, die geen verbinding hadden met de bronnen, waaruit de niet-joden hun water putten. 

Rudolph Hendrik Saltet, 1923 (Stadsarchief Amsterdam / Atelier J. Merkelbach).

Tot slot baseerde de Amsterdamse hoogleraar Rudolph Hendrik Saltet (1853-1927) zich in zijn standaardwerk uit 1919 over de gezondheidsleer vooral op Sanders’ werk. Saltet schreef bijvoorbeeld de lage zuigelingensterfte onder de joden toe aan het feit dat zij, ondanks hun grote armoede, ‘algemeen meer beschaafd’ zijn. De gezondheidsregels van het joodse volk – de spijswetten, de verplichte besnijdenis, de reinheidsvoorschriften bij het gebruik der spijzen, de regels voor het seksuele leven van man en vrouw – speelden daarbij een grote rol.

Bovenstaande opsomming is verre van compleet. Niet alleen joodse artsen, ook politici en geestelijken zouden zich gaandeweg wagen aan de interpretatie van de cijfers en de mogelijke verklaring van de geobserveerde verschillen. De binnen ons project verzamelde gegevens en geavanceerde statistische modellen stellen ons in staat niet alleen bij te dragen aan deze debatten maar, veel belangrijker, antwoorden te geven op de vragen die tijdgenoten al opwierpen. Het verband tussen godsdienst (of ‘cultuur’) en gezondheid blijft tot op de dag van vandaag een fascinerend en relevant vraagstuk.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.